Tags: , , [ × ]

De met wratten bedekte pad en de schitterend mooie goudvis kwamen elkaar op een middag tegen in de tempelvijver.
“Besef jij wel hoe mooi ik ben?” bubbelde de goudvis en ze liet haar zwierige staart parmantig kringelen.

De pad zei niets. “Ik begrijp wel waarom je niets zegt,” gniffelde de goudvis. “Ik ben niet alleen gracieus in mijn bewegingen, ik versterk ook nog de schoonheid van de gouden zonnestralen.”
Ook nu zei de pad niets. Hij bewoog zelfs niet.

“Zeg nou eens wat,” eiste de goudvis. Op dat moment werd de glinsterende vis door een ooievaar opgespiest en mee de lucht in genomen.
“Daag!” kwaakte de pad.